an empty conference room
Photo by Designer's Circle Interior Designer on Pexels.com

Meedoen is iets anders dan meebeslissen

Je kunt na twaalf jaar natuurlijk afscheid nemen met een bos bloemen, een dankwoord en een paar keurige zinnen over hoe mooi het allemaal is geweest.

Jan Dirk van der Zee koos voor een column.

‘Versnel de groei van het vrouwenvoetbal’ luidt de titel. En eerlijk is eerlijk: wie het stuk leest, kan moeilijk zeggen dat hij niet begrijpt waar het vrouwenvoetbal naartoe moet. Meer meiden laten voetballen. Eerder beginnen. Een aanbod dat beter aansluit. Meer vrouwelijke bestuurders, trainers en scheidsrechters. Meer ruimte voor vrouwen om mee te beslissen.

Sterker nog, ergens schrijft Van der Zee een zin waar je als voorvechter van vrouwenvoetbal bijna automatisch enthousiast van wordt:

‘Samen voetballen kan niet betekenen dat mannen blijven bepalen wat goed is voor vrouwen.’

Amen.

Maar juist daar begon bij mij iets te knagen.

Want wat betekent ‘meebeslissen’ eigenlijk?

En hoeveel verschil zit er tussen iemand uitnodigen aan tafel en iemand daadwerkelijk een stoel geven die ook iets te zeggen heeft?

Precies die vraag stelt Daphne Koster.

En daarmee wordt haar recente verhaal interessanter dan alleen een zoveelste discussie over geld, groei of professionalisering. Koster zegt het bijna achteloos, maar de betekenis is groot:

meedoen is iets anders dan meebeslissen.

Daar zit volgens mij precies de volgende fase van het Nederlandse vrouwenvoetbal.

Want laten we eerlijk zijn: vrouwen zijn inmiddels overal zichtbaar in het voetbal.

Ze voetballen.

Ze fluiten.

Ze coachen.

Ze presenteren.

Ze werken bij clubs.

Ze zitten bij de KNVB.

Ze schuiven aan bij panels.

Ze worden geïnterviewd.

Ze worden ambassadeur.

En gelukkig maar.

Maar zichtbaarheid is nog geen zeggenschap.

Een vrouw aan tafel is nog niet automatisch een vrouw die over de tafel heen kan kijken.

Dat verschil wordt belangrijker naarmate het vrouwenvoetbal professioneler wordt.

Want zolang het gesprek vooral gaat over hoeveel meiden we aan het voetballen krijgen, hoeveel bezoekers er op de tribune zitten en hoeveel sponsorgeld er binnenkomt, kunnen we onszelf nog redelijk makkelijk wijsmaken dat groei vooral een kwestie van tijd is.

Maar wat als het probleem niet alleen zit in hoeveel geld er beschikbaar is?

Wat als het probleem óók zit in wie bepaalt hoe dat geld wordt besteed?

Wie bepaalt wat een vrouwenelftal nodig heeft?

Wie bepaalt wat een goede accommodatie is?

Wie bepaalt hoeveel aandacht een wedstrijd verdient?

Wie bepaalt welke commerciële kansen worden benut?

Wie bepaalt hoe talent wordt opgeleid?

Wie bepaalt wat professionalisering betekent?

En misschien wel de lastigste vraag:

Wie zit er daadwerkelijk aan de knoppen wanneer deze keuzes worden gemaakt?

Koster schreef eerder al dat het probleem van het vrouwenvoetbal niet uitsluitend financieel is, maar ook te maken heeft met de manier waarop het systeem is ingericht. Het voetbal is historisch gebouwd vanuit een wereld waarin mannen speelden, bestuurden en de organisaties vormgaven. Vrouwen kwamen daar later bij en moesten zich aanvankelijk vooral aanpassen aan wat er al stond.

Dat heeft ons overigens ook ontzettend veel gebracht.

De bestaande voetbalwereld gaf het vrouwenvoetbal toegang tot stadions, trainingsfaciliteiten, kennis, organisatiekracht, commerciële netwerken en bestaande clubmerken. Zonder die infrastructuur had de ontwikkeling waarschijnlijk heel anders verlopen.

Maar wat een jonge sport helpt groeien, kan op een gegeven moment ook een beperking worden.

En misschien is dat wel precies waar we nu staan.

Het vrouwenvoetbal is niet meer het kleine zusje dat blij mag zijn dat het mee mag doen.

Het is een sport die inmiddels groot genoeg is om zichzelf serieus te organiseren.

En daar hoort dus ook zeggenschap bij.

Koster is daar opvallend consequent in. In 2024 wees ze al op de directietafels, waar volgens haar veel over vrouwen wordt gesproken, maar te weinig mét vrouwen.

Inmiddels maakt ze dat punt nog concreter. Wanneer beslissingen over betaald vrouwenvoetbal worden genomen, zijn vrouwen volgens haar in Nederland nog onvoldoende vertegenwoordigd op de plekken waar de daadwerkelijke koers wordt bepaald. Meedoen aan besluitvorming is volgens haar iets anders dan daadwerkelijk meebepalen.

Dat klinkt misschien als een semantische discussie.

Dat is het niet.

Stel je voor dat je als vrouwenafdeling binnen een club een fantastisch plan hebt.

Je maakt een begroting.

Je hebt een commerciële strategie.

Je weet wat je speelsters nodig hebben.

Je weet waar je supporters behoefte aan hebben.

Je hebt een visie op talentontwikkeling.

En vervolgens moet je voor iedere wezenlijke beslissing langs drie andere lagen binnen de organisatie.

Overleggen.

Afstemmen.

Draagvlak creëren.

Nog een keer uitleggen.

Wachten.

En uiteindelijk hopen dat iemand met formele beslissingsmacht jouw plan belangrijk genoeg vindt.

Dan doe je mee.

Maar bepaal je ook?

Dat is het verschil.

En daarom vind ik het interessant dat Van der Zee in zijn afscheidscolumn zelf schrijft dat vrouwen voor honderd procent moeten kunnen meebeslissen over het aanbod, de begeleiding en de besteding van geld.

Hij schrijft zelfs dat we achter hun plannen moeten staan, ook als ze het anders aanpakken dan we gewend zijn.

Daar zit misschien wel de grootste uitdaging.

Want het is relatief makkelijk om te zeggen dat vrouwen meer invloed moeten krijgen.

Het wordt pas interessant wanneer die invloed leidt tot keuzes die we zelf niet zouden hebben gemaakt.

Dat is pas echte zeggenschap.

Een vrouw die precies hetzelfde denkt als iedereen aan tafel, levert natuurlijk niet automatisch meer diversiteit op.

Diversiteit gaat niet alleen over wie er zit.

Het gaat ook over welke vragen worden gesteld.

Welke aannames worden uitgedaagd.

Welke alternatieven op tafel komen.

En of iemand de ruimte krijgt om te zeggen:

‘Volgens mij kijken we hier helemaal verkeerd naar.’

Daarom vind ik Koster’s term ‘blinde vlek’ zo treffend. Haar punt is niet dat mannen bewust vrouwen buiten de deur houden. Het probleem kan veel subtieler zijn: een systeem kan uitstekend functioneren volgens de logica waarvoor het ooit is gebouwd, terwijl het tegelijkertijd niet ziet wat het vanuit een ander perspectief mist.

Dat is geen beschuldiging.

Dat is een uitnodiging om beter te kijken.

En misschien moeten we daarom ook oppassen met het idee dat één vrouw op een belangrijke positie het probleem oplost.

Eén vrouw kan ontzettend veel betekenen.

Ze kan een deur openen.

Een onderwerp agenderen.

Een blinde vlek zichtbaar maken.

Een nieuwe standaard neerzetten.

Maar als zij vervolgens de enige vrouw aan tafel is, kan haar aanwezigheid ook gemakkelijk worden verward met vertegenwoordiging.

‘Kijk, er zit toch een vrouw?’

Ja.

Maar wie zit er verder?

Wie beslist?

Wie heeft het mandaat?

Wie heeft het budget?

Wie kan daadwerkelijk een koers wijzigen?

Dat zijn veel interessantere vragen.

En het mooie is dat Koster zelf ook niet pleit voor het afbreken van alles wat er bestaat.

Ze pleit juist voor een systeem waarin het vrouwenvoetbal serieus genoeg wordt genomen om eigen verantwoordelijkheid te dragen. Ze wijst daarbij onder meer naar voorbeelden als OL Lyonnes en andere clubs waar het vrouwenvoetbal zelfstandiger wordt georganiseerd en een eigen plek, leiding en infrastructuur krijgt.

Dat betekent niet dat iedere club morgen zijn vrouwenafdeling moet loskoppelen.

Het betekent wél dat we misschien moeten stoppen met automatisch denken dat één organisatiemodel voor iedereen de oplossing is.

Want ook daarin zit professionalisering.

Niet langer vragen:

‘Hoe passen de vrouwen binnen onze bestaande structuur?’

Maar:

‘Welke structuur heeft het vrouwenvoetbal nodig om maximaal te kunnen groeien?’

Dat is een wezenlijk andere vraag.

En misschien is dat wel de vraag die het Nederlandse vrouwenvoetbal nu nodig heeft.

Want de discussie over geld blijft natuurlijk relevant.

Clubs moeten financieel gezond zijn. Investeringen moeten ergens vandaan komen. Sponsoren willen rendement. Publiek moet worden bereikt. De competitie moet aantrekkelijk zijn.

Koster zei onlangs nog iets anders dat wat mij betreft in hetzelfde gesprek thuishoort: als een club vindt dat het vrouwenvoetbal financieel onvoldoende oplevert, moet je niet automatisch het product afschalen. Kijk eerst naar wat je zelf doet. Naar je accommodatie. Naar je commerciële verhaal. Naar je kennis. Naar de manier waarop je supporters benadert. Naar de vraag of je eigenlijk wel alles doet om van het vrouwenvoetbal een goed product te maken.

Ook dat is zeggenschap.

Want iemand die verantwoordelijk wordt gehouden voor het resultaat, moet uiteindelijk ook voldoende invloed hebben op de voorwaarden waaronder dat resultaat tot stand moet komen.

En daar komen we weer uit bij die afscheidscolumn.

Jan Dirk van der Zee schrijft dat hij hoopt dat vrouwen over tien jaar met trots terugkijken op hun werk in een voetbalwereld waarin vrouwen de richting en het succes van hun eigen voetbal bepalen.

Ik hoop dat ook.

Maar misschien moeten we die zin niet als toekomstwens lezen.

Misschien moeten we hem lezen als opdracht.

Want als we over tien jaar nog steeds zeggen dat vrouwen ‘meer aan tafel’ moeten komen, hebben we het gesprek eigenlijk niet begrepen.

De vraag is niet meer of vrouwen mogen aanschuiven.

De vraag is wat ze daar mogen doen.

Mogen ze adviseren?

Mogen ze meepraten?

Mogen ze meedenken?

Of mogen ze daadwerkelijk besluiten?

Er zit een wereld van verschil tussen die vier.

Het Nederlandse vrouwenvoetbal heeft de afgelopen jaren bewezen dat het kan groeien binnen bestaande structuren.

De volgende stap is misschien om te onderzoeken waar die structuren inmiddels juist in de weg zitten.

Niet omdat mannen het fout hebben gedaan.

Niet omdat vrouwen zielig zijn.

En ook niet omdat ieder bestaand systeem ineens moet worden omgegooid.

Maar omdat een sport die volwassen wordt uiteindelijk ook volwassen verantwoordelijkheid moet krijgen.

Van der Zee schrijft dat vrouwen hun eigen voetbal moeten kunnen bepalen.

Koster vraagt zich af of ze dat daadwerkelijk kunnen.

Volgens mij zijn die twee gedachten geen tegenstelling.

Ze zijn het begin van hetzelfde gesprek.

Want meedoen was de eerste overwinning.

Meebeslissen is de volgende.

En misschien wordt het tijd dat we niet langer applaudisseren omdat vrouwen eindelijk aan tafel zitten.

Maar gewoon eens kijken naar de stoel waarin ze zitten.

Heeft die stoel invloed?

Heeft die stoel verantwoordelijkheid?

Heeft die stoel een stem die ook daadwerkelijk iets kan veranderen?

Want zolang vrouwen wel mogen meedoen, maar anderen uiteindelijk bepalen wat goed voor hen is, zijn we misschien verder gekomen dan vroeger.

Maar nog lang niet waar we willen zijn.

Meedoen is iets anders dan meebeslissen.

Dat is geen mooie oneliner.

Dat is de volgende test voor het Nederlandse vrouwenvoetbal.


Ontdek meer van Women's Football Data Lab

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

1 reactie

  1. Jan Reurings

    Dag Salman … het had mogelijk geholpen als JD vd Zee dit gedurende zijn beleidsperiode nadrukkelijker aan de orde had gesteld … Na afloop van je periode iets roepen is minder daadkrachtig dan tijdens je periode iets roepen en ervoor aan de slag gaan. Daarnaast … een mooi verhaal dat je hebt geschreven … gaat het ook in de richting van … dat vrouwen verantwoordelijkheid gaan nemen en dragen voor de groei en ontwikkeling van hun eigen sport … en tja … daar zit nog een schoen die wringt … Hoe kom je dan aan alle zaken die nodig en zinvol zijn om uit te kunnen groeien richting volwassenheid van de sport … Daar zijn dan toch bestaande randvoorwaarden voor nodig op dit moment … en … die zijn in het verleden in het leven gebracht door … tja … mannen … Daarbij roepen vrouwen vaak dat we niet steeds moeten verwijzen naar het verschil tussen mannen en vrouwen … waar ik … als ik zorgvuldig lees en luister … regelmatig vrouwen zelf de link naar het mannen voetballen hoor en zie leggen … (vrouwen zijn ambitieuzer dan mannen, vrouwen zijn technischer dan mannen, vrouwen doen meer hun best dan mannen … en zo nog veel meer kleine items en thema’s die de beeldvorming in stand houden) … het wordt tijd dat er echt geen vergelijk meer is … niet door mannen … niet door vrouwen … Gewoon … vrouwen voetballen is een eigen sport voor vrouwen en meisjes … Die sport wil groot worden … dat vraagt tijd … en inzet … van … vrouwen … die alle rollen gaan vervullen die nodig zijn en die bijdragen aan de groei en bloei (om maar eens te verwijzen naar een radioprogramma uit onze geschiedenis: “Al wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit” van bioloog Fop I. Brouwer in het VARA-radioprogramma Weer of geen weer van Bert Garthoff, dat op zondagmorgen werd uitgezonden. Dit programma was de voorloper van het latere Vroege Vogels.

Geef een reactie