Bijna de helft van de ondervraagde voetbalsters overweegt eerder te stoppen. Niet omdat het spel ze niets meer te bieden heeft, maar omdat geldzorgen en psychologische stress hun toekomst beïnvloeden. Het nieuwe FIFPRO-rapport bevestigt een ongemakkelijke vraag die we al jaren te weinig stellen: bouwen we aan een volwassen sport, of vooral aan een groeiend voetbalbedrijf?
Er zijn van die rapporten waarvan je hoopt dat ze ongelijk hebben. Niet omdat de cijfers onbelangrijk zijn, maar omdat de werkelijkheid erachter zo confronterend is. Het Global Employment Report 2026 van FIFPRO is er zo een.
Bijna de helft van de 791 ondervraagde speelsters uit veertig landen overweegt eerder dan gepland te stoppen met voetbal. Van die groep noemt 59 procent financiële redenen en 46 procent psychologische stress. Wereldwijd heeft 57 procent van de respondenten ooit geworsteld met de mentale gezondheid. De helft van de speelsters die daarmee te maken kregen, ontving daarvoor geen ondersteuning van de club.
Lees die cijfers nog eens.
We hebben het over een sport die zichzelf steeds nadrukkelijker presenteert als een van de grote commerciële groeiverhalen van deze tijd. Meer publiek, meer media-aandacht, grotere investeringen en hogere inkomsten. Toch overwegen speelsters hun carrière voortijdig af te breken, mede omdat de omstandigheden waaronder ze hun beroep uitoefenen niet voldoende zekerheid bieden.
Het vrouwenvoetbal groeit. Maar groeien en vooruitgaan zijn niet hetzelfde.
Professioneel op papier, onzeker in de praktijk
Het rapport laat zien hoe groot de afstand tussen de commerciële ambities en de dagelijkse werkelijkheid kan zijn. Het gemiddelde maandelijkse clubinkomen van de onderzochte speelsters bedraagt 2.601 dollar. De mediaan ligt echter op 1.669 dollar. Dat laatste cijfer vertelt ons meer over wat een speelster in het midden van de verdeling verdient, omdat de hoogste salarissen het gemiddelde omhoogtrekken.
Ook de contracten vertellen een verhaal. De gemiddelde contractduur bedraagt ongeveer negentien maanden. Slechts 56 procent van de respondenten heeft een arbeidsovereenkomst.
Dat is geen detail voor een voetnoot. Het gaat over bestaanszekerheid, over de mogelijkheid om een toekomst op te bouwen en over de vraag of een voetbalcarrière financieel houdbaar is.
Want wat betekent professionalisering eigenlijk als een speelster professioneel moet presteren, maar niet kan rekenen op professionele zekerheid? Wat heb je aan een groeiende competitie wanneer de mensen die het product maken onvoldoende worden beschermd?
Een contract, een shirt met een sponsorlogo en een wedstrijd op televisie maken een sport nog niet volwassen.
De rekening komt bij de speelster terecht
Wie mijn columns over vrouwenvoetbal al langer volgt, weet dat ik steeds terugkom op dezelfde kwestie: we kijken te vaak naar de zichtbare bovenkant van de sport en te weinig naar het systeem eronder.
We bespreken kijkcijfers, stadionbezoek, sponsordeals, internationale successen en de waarde van competities. Allemaal relevant. Maar ondertussen moeten speelsters hun sportieve ambities combineren met financiële onzekerheid, een tweede baan of zorgen over hun toekomst na het voetbal.
Dat is niet alleen een probleem voor de speelsters zelf. Het raakt de kwaliteit en continuïteit van de sport.
Talent ontwikkelen kost jaren. Een speelster heeft goede trainers, medische begeleiding, voldoende trainingsuren, wedstrijdminuten en een omgeving nodig waarin ze zich kan ontwikkelen. Wanneer zij vervolgens afhaakt omdat haar carrière onvoldoende perspectief biedt, verdwijnt niet alleen een speelster uit de competitie. Er verdwijnt ook een deel van de investering die clubs, trainers, familie en de speelster zelf in haar ontwikkeling hebben gestoken.
En dan vragen we ons af waarom talent niet altijd doorbreekt, waarom speelsters naar het buitenland vertrekken of waarom jonge meiden onderweg afhaken.
Misschien moeten we minder vaak vragen waarom speelsters vertrekken en vaker onderzoeken wat we hun hier te bieden hebben.
Nederland is geen eiland
Het FIFPRO-rapport is wereldwijd onderzoek. Het bewijst niet dat Nederlandse speelsters dezelfde problemen in dezelfde omvang ervaren. Wie dat beweert, trekt de conclusies verder dan de gegevens toelaten.
Maar het rapport geeft wel een reden om kritisch naar onze eigen voetbalstructuur te kijken.
In Nederland hebben we de afgelopen jaren veel bereikt. De OranjeLeeuwinnen hebben het vrouwenvoetbal zichtbaar gemaakt, clubs hebben stappen gezet en de belangstelling is gegroeid. Tegelijkertijd staat de Vrouwen Eredivisie voor een nieuwe fase waarin de competitie van twaalf naar tien clubs gaat.
De gedachte daarachter is dat een kleinere competitie de kwaliteit kan verhogen. Maar kwaliteit is niet hetzelfde als concentratie.
Minder clubs betekenen ook minder plekken op het hoogste niveau. Dat vraagt om een serieus gesprek over speelminuten, doorstroming, contractmogelijkheden en de route van talent naar een volwaardige carrière. Het betekent niet automatisch dat de competitie slechter wordt, maar het maakt de vraag naar de gevolgen voor speelsters en talentontwikkeling onvermijdelijk.
Daar komt het vertrek van Nederlandse speelsters naar buitenlandse competities bij. Een overstap kan een uitstekende sportieve keuze zijn. Internationale mobiliteit hoort bij topsport. Maar wanneer talent structureel elders betere voorwaarden, meer perspectief of een aantrekkelijkere omgeving vindt, moeten we ook durven onderzoeken wat dat zegt over onze eigen positie.
Nederland wil een opleidingsland zijn. Prima. Maar een opleidingsland moet ook nadenken over wat er nodig is om talent hier verder te laten groeien.
Anders lopen we het risico dat we wel investeren in de ontwikkeling van speelsters, maar onvoldoende bouwen aan de omstandigheden waarin zij hun beste jaren kunnen beleven.
Wie beslist wat professionalisering betekent?
Misschien is dit wel de belangrijkste les uit het FIFPRO-rapport: professionalisering mag geen etiket zijn dat bestuurders en clubs op de sport plakken. Het moet voelbaar zijn in het leven van de speelster.
Dat vraagt om eerlijke beloning, betrouwbare contracten, goede medische en mentale begeleiding en bescherming tijdens en na de carrière. Het vraagt ook om spelers die daadwerkelijk invloed hebben op beslissingen over hun werk, hun belasting en hun toekomst.
Dat laatste sluit aan bij een thema dat ik eerder al aan de orde stelde: meedoen is iets anders dan meebeslissen.
Je kunt speelsters uitnodigen voor een gesprek en tegelijkertijd de belangrijkste beslissingen ergens anders nemen. Je kunt zeggen dat de sport om hen draait, maar vervolgens vooral sturen op competitieopzet, commerciële belangen en organisatorische voorkeuren.
Echte professionalisering begint wanneer de speelster niet alleen het gezicht van het product is, maar ook een stem heeft in de manier waarop dat product wordt ontwikkeld.
FIFPRO vraagt dan ook om structurele bescherming en betekenisvolle betrokkenheid van spelers bij beslissingen die hun werk en welzijn beïnvloeden. Niet als gunst, maar als onderdeel van een duurzaam voetbalmodel.
We hebben geen gebrek aan ambities
Ik schrijf dit niet om de groei van het vrouwenvoetbal te ontkennen. Juist niet. De vooruitgang is zichtbaar en verdient erkenning. Maar succesverhalen mogen geen reden worden om de problemen aan de onderkant van het systeem te negeren.
Een sport die meer omzet genereert, heeft ook meer verantwoordelijkheid. Een competitie die professioneler wil worden, moet niet alleen hogere eisen stellen aan speelsters, maar ook betere voorwaarden bieden. En een bond die talent wil ontwikkelen, moet verder kijken dan het moment waarop een speelster het eerste elftal bereikt.
De vraag is niet of het vrouwenvoetbal moet groeien. De vraag is welke groei we willen.
Willen we een sport die steeds meer waard wordt, terwijl de zekerheid van speelsters achterblijft? Of bouwen we aan een ecosysteem waarin commerciële ontwikkeling, sportieve kwaliteit en het welzijn van speelsters elkaar versterken?
Het FIFPRO-rapport geeft geen reden om te concluderen dat het hele vrouwenvoetbal in een dip zit. Daarvoor is het beeld te divers en zijn de ontwikkelingen per land en competitie te verschillend. Het geeft wel een stevige waarschuwing: de groei van de sport garandeert niet dat de mensen die haar dragen daar evenredig van profiteren.
Dat is precies waarom we verder moeten kijken dan de volgende kijkcijfers, de volgende investering of de volgende competitiehervorming.
We moeten kijken naar de speelster die twijfelt of ze kan doorgaan. Naar het talent dat geen perspectief ziet. Naar de professional die wel de verantwoordelijkheden draagt, maar niet de zekerheid krijgt die daarbij hoort.
Want uiteindelijk is de waarde van het vrouwenvoetbal niet alleen af te lezen aan omzet, publiek of internationale successen.
Ze is ook af te lezen aan hoeveel speelsters de kans krijgen om hun talent duurzaam te ontwikkelen, hun carrière met vertrouwen voort te zetten en zelf invloed te hebben op de toekomst van hun sport.
Het vrouwenvoetbal heeft niet alleen behoefte aan groei. Het heeft behoefte aan groei die haar speelsters beschermt.
Bronnen voor publicatie: het FIFPRO-artikel van 12 oktober 2026 en het volledige Global Employment Report 2026 (PDF). De cijfers in de column zijn wereldwijd en mogen niet worden gelezen als specifieke cijfers voor de Nederlandse competitie.
Ontdek meer van Women's Football Data Lab
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.




