De strijd om gelijke beloning in het Nederlandse vrouwenvoetbal

Pauw: “De gemengde competitie was een punt van discussie.”

Goed voor het gras!

Vrouwenvoetbal is de snelst groeiende sport ter wereld. Waar komen al die voetballende meisjes toch vandaan? Worden ze volledig geaccepteerd? En betekent de enorme aanwas ook dat het vrouwenvoetbal inmiddels serieus genomen wordt als topsport?

Op een waterkoude zaterdagochtend, vijf jaar geleden, speelde mijn dochter haar eerste wedstrijd voor voetbalclub SDZ. Uit, tegen een laag geklasseerd jongensteam. Ze was nog net geen negen. Het was een probeersel en aan haar gezichtsuitdrukking te zien, beviel het allerminst. Ze kende niemand van haar teamgenootjes, het miezerde en ze stonden al snel flink achter.

Aan het begin van de tweede helft verscheen er opeens een dubbele regenboog aan de hemel. Alle meisjes vergaten ogenblikkelijk waar ze mee bezig waren. De waarschuwingen van de ouders langs de lijn ten spijt, stopten ze collectief met voetballen, stootten elkaar aan en wezen van ‘oooh’. Ondertussen merkte niet één van de jongens het natuurverschijnsel op. Zij renden op het doel af en vierden hun goal alsof ze zojuist een magische tiki taka-aanval hadden opgezet.

Ik keek naar mijn dochter die hoofdschuddend met haar handen in de zij stond, en begon al voorzichtig te vrezen dat we binnenkort hockeyclubs zouden moeten bezoeken. Nu ja, niets aan te doen. Maar pap zou liegen als hij beweerde dat hij niet blij was dat hij hier nu langs de lijn stond. Zeker toen er een zeldzame uitbraak van de meisjes volgde, met wanordelijke toestanden voor het vijandelijke doel, uitmondend in triomfantelijk gejoel.

De MF2 had het eerste doelpunt van het seizoen gemaakt, via de voet van mijn dochter. ‘Ach, ze vielen allemaal om,’ zou ze na afloop minzaam opmerken. ‘Dus ik dacht: ik schiet maar eens.’ Maar haar trotse glimlach sprak boekdelen. En zo droeg ze voortaan een paar keer per week het zwartwitte shirt van Samenspel Doet Zegevieren. En werd ik voetbalvader. Meisjesvoetbalvader. Niet dat dat veel om het lijf heeft – beetje vlaggen, beetje autorijden, een paar keer per jaar met hamburgers en kroketten schuiven tijdens de kantinedienst. Maar het was een groot genoegen om kennis te maken met een wereld waar ik tot dan toe geen weet van had.

‘Pak je vrouwtje!’

Het was voor het eerst in vijfendertig jaar dat ik bij voetbalverenigingen kwam, en eerlijk gezegd was ik verbaasd hoe volstrekt normaal het was dat er meisjes rondliepen. Toen ik zelf speelde, was de voetbalwereld nog een exclusief mannendomein. Nu dansten er overal waar we kwamen tientallen blonde paardenstaartjes over het veld. Vooral in de regio Amsterdam mengde zich dat bijna achteloos met zwarte krulletjes, kroeshaar en af en toe zelfs een hoofddoekje.

De jongens leken er allang niet meer van op te kijken dat ze de velden en kantines met meisjes moesten delen. En de trainers, bijna altijd mannen, deden soms aandoenlijke pogingen om het masculiene voetbaljargon een beetje aan te passen. De meisjes moesten ‘in de man’ komen, of ‘voor de man’, maar af en toen schalde er toch een voorzichtig ‘pak je vrouwtje!’ over het veld. Wat uit de mond van een volwassen vent een beetje vies klonk, maar dat terzijde.

Vrouwenvoetbal, zo leerde ik, is de snelst groeiende sport ter wereld, en ook in Nederland. De aanwas is vooral groot onder jonge meisjes. Waren er in 2002 zo’n 65.000 meisjes en vrouwen aangesloten bij de KNVB, inmiddels zijn dat er ruim honderdvijftigduizend. Ruim anderhalf keer verdubbeld in vijftien jaar, en de groei zet nog steeds door. Daar staan nog altijd meer dan een miljoen mannelijke leden tegenover, maar het is ontegenzeggelijk een inhaalslag.

Nu in juli voor het eerst een EK in eigen land gehouden wordt, zindert het behoorlijk in de wereld van het vrouwenvoetbal. Journaliste Annemarie Postma, zelf voetballer en trainer, bracht het boek De Oranje Leeuwinnen uit, waarin ze de topspeelsters portretteert. De KNVB laat enthousiast weten dat er al zo’n honderdduizend kaarten voor het evenement zijn verkocht. De wedstrijden van Oranje zullen live worden uitgezonden op tv. En hoewel het Nederlands Elftal geen favoriet is voor de titel, zal het toernooi misschien toch een volgende doorbraak voor het vrouwenvoetbal kunnen betekenen.

Meisjes? Nee

Waar komen al die voetballende meisjes opeens vandaan? Worden ze volledig geaccepteerd, of zijn de vooroordelen tegen meiden met een bal nog steeds hardnekkig? En betekent de enorme aanwas ook dat het vrouwenvoetbal inmiddels serieus genomen wordt als topsport?

Met die vragen rij ik op een zomerse middag naar De Galgenwaard, het stadion van FC Utrecht, voor de presentatie van het boekje Meidenvoetbal in 14 verhalen. Dat boek, mede geproduceerd door de Cruyff Foundation, is een van de uitvloeisels van een breed opgezet wetenschappelijk onderzoek naar het effect van voetbal op meisjes, getiteld ‘Van voetbalvrouwen tot vrouwenvoetbal’. Het onderzoek werd geïnitieerd door Martine Prange, ex-profvoetbalster en inmiddels hoogleraar filosofie aan de Tilburg University, samen met Martijn Oosterbaan van de Universiteit Utrecht. Het eerste exemplaar wordt uitgereikt door Merel van Dongen, verdediger van Ajax en het Nederlands Elftal. De presentatie is in handen van sportjournaliste Barbara Barend, die zelf een aantal interlands speelde met jeugdelftallen van Oranje, voordat een hardnekkige blessure haar noopte met voetbal te stoppen.

‘Ons doel: meer voetbalmeiden!’ staat op de binnenflap van het boek. ‘Ik denk dat vrouwen altijd hebben willen voetballen,’ zegt Prange (47). ‘Logisch, het is een van de meest toegankelijke sporten – een bal en wat ruimte, meer heb je niet nodig. Alleen rustte er voor meisjes lange tijd een taboe op. Eerst op sport in het algemeen, daarna vooral op voetbal.’ In 1938 werd vrouwenvoetbal officieel verboden door de voetbalbond.

Dat taboe is mettertijd gegroeid, vertelt ze. In de Eerste Wereldoorlog was vrouwenvoetbal korte tijd redelijk populair, vooral in Engeland. De mannen waren aan het front, de vrouwen namen het werk in de fabrieken over, en van daaruit werden er voetbalwedstrijden georganiseerd. ‘Na de oorlog is er een enorme antiemancipatiebeweging op gang gekomen om de vrouwen weer terug achter het aanrecht te krijgen.

Vrouwenbladen gaven het idee dat het hartstikke fijn was om altijd thuis te zitten, getrouwde vrouwen mochten niet meer werken. Dat duurde tot in de jaren zestig, toen de tweede feministische golf opkwam. Die heeft een enorme rol gespeeld in de emancipatie, en uiteindelijk ook consequenties gehad voor het voetbal.’

In Nederland werd vrouwenvoetbal in 1938 officieel verboden door de voetbalbond. Sinds 1955 bestond er weliswaar een Nederlandse Damesvoetbalbond, opgericht nadat ene Willy van Bruggen een oproep in de krant had geplaatst, maar dat was volgens de KNVB ‘een nutteloze bijdrage aan de vooruitgang van het voetbal’. Pas in 1971 werd het verbod opgeheven. In de terminologie van Martine Prange: van een oppressiecultuur kwam het vrouwenvoetbal terecht in een gedoogcultuur.

Zelf is Prange een exponent van de generatie die ervoor moest vechten om op het voetbalveld te mogen staan. ‘Ik werd geboren als voetballer,’ zegt ze. ‘Ik identificeerde me totaal met Cruijff, Ajax, het Nederlands Elftal. Daarnaast was er niets. Nou ja, The Beatles.’

Op haar tiende zocht ze een team van meisjes bij elkaar, vond een trainer en meldde zich aan bij het Amsterdamse RKAVIC. ‘Maar die zeiden: meisjes? Nee, daar beginnen we niet aan. Dus toen ben ik maar gaan hockeyen. Was ik ook goed in. Maar ik heb het altijd heel onrechtvaardig gevonden dat meisjes hun dromen niet konden waarmaken, alleen omdat ze een meisje zijn. En ik heb me er nooit bij neergelegd.’

Via een lange omweg maakte ze die droom toch waar. Ze haalde het Nederlands Elftal en kwam uiteindelijk na een Belgisch uitstapje in 1994 in Turkije terecht, waar al wel een professionele vrouwencompetitie bestond. ‘Daar heb ik drie seizoenen gespeeld,’ vertelt ze. ‘Betaald, al was het geen vetpot. Maar er werd goed voor ons gezorgd. We trainden dagelijks, hadden een fysiotherapeut – het was leuk om eens te kunnen kijken hoe goed je dan wordt als voetballer. Ik heb Turks geleerd, want niemand sprak een woord Engels. Er waren de gebruikelijke problemen met het betalen van de salarissen… Maar het was een groot avontuur.’ Ze lacht: ‘En ik wil graag even gezegd hebben dat ik de eerste Nederlandse prof in de Turkse competitie was. Dat je niet denkt: dat was Pierre van Hooijdonk.’

Samen douchen

Barbara Barend heeft vergelijkbare hordes moeten nemen om te mogen voetballen. Als zesjarige wilde ze zich aanmelden bij Buitenveldert, de club waar haar vader speelde en haar moeder ijverde voor het opzetten van de vrouwentak. ‘Maar voor meisjes was het volgens de KNVB tot hun achtste “medisch onverantwoord”. Goed, je kon wel stiekem meedoen. Maar ik was goed, zou in het hoogste team terechtkomen, en dus wilde ik gewoon een spelerskaart.’

Haar ouders dreigden met een rechtszaak, waarna de KNVB het er niet op aan liet komen en de reglementen aanpaste. Maar voorafgaand aan haar eerste officiële wedstrijd kwam er op de club toch weer gezeur. ‘Toen hebben mijn ouders de middenstip bezet. En mijn moeder dreigde alle amateurvelden in Amsterdam om te laten ploegen. Nou, vanaf dat moment voetbalde ik bij de F’jes. Met een spelerskaart.’

Tot haar twaalfde speelde ze bij de jongens. En als de tijd aanbrak dat Ajax de uitnodigingen verstuurde aan talenten om mee te mogen trainen, zat ze thuis te wachten bij de brievenbus. ‘Elk seizoen werden er wel een paar jongens uit mijn team gescout, en ik was een van de besten. Eigenlijk wist ik wel dat het niet reëel was, maar toch zat ik stilletjes te hopen: misschien maken ze dit jaar een uitzondering.’

Bij de jongens was het samen douchen en samen op de slaapzaal tijdens toernooien en trainingskampen. Toen dat een beetje begon te wringen, kwam ze op haar dertiende meteen bij de senioren van de vrouwen terecht – meisjesteams waren er nog niet. ‘Achteraf was dat niet zo’n goede beslissing, want in die competitie liepen alle niveaus door elkaar.

Toen ik in een wedstrijd voor de derde keer alleen op de goal afging, vond de keepster het wel genoeg geweest en haalde me keihard onderuit.’ Ondanks de gescheurde kruisband kwam ze nog een keer terug, en schopte het tot Oranje onder 15. Maar toen ze in haar derde wedstrijd weer geblesseerd raakte, was het definitief klaar met voetbal. ‘Het heeft niet zoveel zin om erover te mijmeren,’ zegt Barend. ‘Maar ik denk dat het anders gelopen was als er toen al een structuur was geweest zoals die er nu is.’

Tactisch veel beter

Er is een hoop veranderd sinds die pionierstijd, zeggen zowel Prange als Barend. Die ontwikkeling is mede te danken aan de inzet van mannen als Peter Weilenmann, ‘verenigingsmanager’ van SC Buitenveldert, die niet gevoelig waren voor het stigma dat vrouwenvoetbal ‘zonde van het gras’ is. Sinds Weilemann in 1992 bij de club terechtkwam, zwaait hij er de scepter over de vrouwen- en meisjesafdeling.

In die tijd groeide Buitenveldert uit tot hét bastion van vrouwenvoetbal in de regio Amsterdam. ‘De vrouwen waren al top toen ik hier kwam,’ zegt Weilemann. ‘Maar voor de meisjes was er weinig. Dus je gaat naar de zusjes van de jongens. Wil je misschien voetballen? En heb je vriendinnetjes? Er was nog bijna geen club die het aanbood, dus de tamtam ging al snel rond. Na een jaar had ik twee pupillenteams, het jaar erna zeven en weer een jaar verder tien. Nou, dan kan je naar de kwaliteit gaan kijken. Selectieteams beginnen, en de stap zetten om met je beste team in een jongenscompetitie te gaan spelen.’

Inmiddels heeft Buitenveldert met vierendertig teams de grootste vrouwenafdeling van Europa. Schrijver en sportjournalist Henk Spaan trainde er jarenlang het team waar zijn dochter in speelde. ‘Ik vond het altijd heel erg leuk als ze tegen jongens moesten,’ zegt hij. ‘Tot een bepaalde leeftijd zijn meisjes tactisch veel beter. Die spelen samen. Heel sociaal: tiktak, schuiven, passen. Jongens doen maar wat, willen allemaal de bal hebben. Daarom konden we ook gewoon winnen.’

Als je Weilemann vraagt waarom meisjes opeens massaal wilden voetballen, haalt hij zijn schouders op. Waarom niet? Voor de club ziet hij alleen maar voordelen. Meer leden is altijd fijn, maar ook voor de sfeer is het goed. ‘Die heb ik wel zien veranderen,’ zegt hij. Hij lacht: ‘Het mooie is dat onze vrouwen veel eerder succes hadden. Die werden kampioen, kwamen ver in de KNVB-beker. De laatste jaren hebben de mannen een inhaalslag gemaakt, maar vroeger stonden ze wel te kijken als de dames weer eens thuiskwamen met zulke bekers onder hun arm.’

Uiteindelijk wordt een club er socialer op, zegt Weilemann. ‘Elftallen die met elkaar op de vuist gaan, dat zie je bij de vrouwen echt bijna nooit. Al kan het er daar ook bloedfanatiek aan toegaan hoor, vergis je niet. Maar het is gewoon goed als alles door elkaar loopt. Het begon ermee dat er jongens van Surinaamse en Marokkaanse afkomst bij ons kwamen voetballen. Inmiddels lopen hier alle kleuren van de regenboog rond, en is het ook helemaal gemengd qua geslacht. Dat gaat allemaal hartstikke goed. Ze respecteren elkaars prestaties, voetballen met mekaar, kennen mekaar van school. Als je op die manier opgroeit, heeft dat wel invloed op hoe je later in het leven staat.’
Henk Spaan beaamt het volmondig. ‘De echte integratie vindt plaats in de voetbalkantine.’

Negenentachtig interlands

Hoe groter de poel werd, hoe meer talenten er boven kwamen drijven. Maar die hadden weinig mogelijkheden om zich echt te ontwikkelen. Op het hoogste niveau, de hoofdklasse, trainden ze twee keer per week. En dat had zijn weerslag op het Nederlands Elftal. ‘Bij Oranje trainden we elke dag,’ vertelt oud-international en voormalig bondscoach Vera Pauw (54), ‘en daarbuiten zorgden we dat we zelf onze trainingsuren maakten. Maar als er een speelster wegviel, kwam er een nieuwe bij die twee keer per week op een achterafveldje wat geoefend had. En dan viel het elftal telkens weer terug. Het was een cirkel waar we niet uitkwamen.’

‘Meisjes die gemengd speelden waren min­der geblesseerd, fysiek sterker.’

Pauw is de vrouw die daar verandering in bracht. Van 1983 tot 1998 speelde ze negenentachtig interlands in Oranje. ‘Bij 84 verbrak ik het all time record van Ruud Krol. Daar was ik trots op. Maar de KNVB wilde het onder de pet houden. Aron Winter had na mij het record ook gebroken, en anders zou ik hun feestje verstoren. Kon Aron overigens niks aan doen, hoor. Uiteindelijk gaven ze me een briefopener die een bestuurslid de dag daarvoor bij het officiële diner had gekregen.’

Bij Oranje trainde ze de eerste jaren onder Bert van Lingen, met wie ze later trouwde. Na haar actieve carriere vertrokken ze samen naar Schotland, waar hij assistent werd van Dick Advocaat bij Glasgow Rangers, en zij het nationale vrouwenelftal onder handen nam. In 2005 werd ze de eerste vrouw in het Nederlandse voetbal die het hoogste trainersdiploma behaalde.

Een jaar eerder was ze bondscoach van Oranje geworden. Pauw wilde de kwaliteit van het vrouwenvoetbal verhogen. En ze was ervan overtuigd dat dat het best kon door op amateurniveau – naast andere varianten – een gemengde competitie in te voeren. ‘Meisjes die gemengd speelden waren minder geblesseerd, fysiek sterker, maar hadden gemiddeld ook ruim twee jaar eerder een beroepskeuze gemaakt, omdat ze beter wisten wat ze wel en niet konden nastreven,’ zo was al in de jaren tachtig gebleken uit een onderzoek dat Pauw voor een project van de KNVB had laten doen. ‘Ook voor de jongens was het goed om samen te spelen met meisjes van hun eigen leeftijd, want die zijn verder in hun psychologische ontwikkeling en eerder toe aan abstract denken.’

‘Ze vergeten dat die “j” in onze competitie staat voor “jeugd”, niet voor “jongens”.’

Voor Pauw speelde er ook een persoonlijke motivatie mee. ‘Ik ben deel van een drieling, met twee broers. Daarom ben ik mijn hele jeugd geconfronteerd met wat nou de verschillen tussen jongens en meisjes zijn. En zeker in de basisschoolleeftijd zijn die er vooral niet. Maar mijn broers mochten voetballen en ik niet, want meisjesvoetbal bestond nog niet. Al heel jong hield ik daar een diep gevoel aan over dat wat mensen over je zeggen vaak niet waar is.’

De bekendste voetbalster van Nederland

Daphne Koster (36), met 139 interlands waarschijnlijk de bekendste voetbalster van Nederland, speelde in de jeugd altijd ‘gemengd’. ‘Al betekende het in de praktijk dat ik meestal het enige meisje was,’ zegt ze. ‘Mensen vergaten vaak dat die “j” in onze competitie staat voor “jeugd”, niet voor “jongens”. Ik ben er een sterk voorstander van. Het kan tot achttien jaar, maar ik vind in elk geval dat kinderen tot een jaar of twaalf gemengd moeten spelen, want in die tijd zijn er totaal geen fysieke verschillen. Je hebt verschillen in niveau, aanleg en talent, maar dat heeft niks met geslacht te maken.

Als meisjes minder technisch zijn of minder snel, dan selecteert dat zichzelf uit. Die komen in een lager team, en kunnen dan best tegen jongens van hetzelfde niveau spelen.’

Ook volgens Koster maken jongens en meisjes elkáár beter. ‘Marietje ziet dat Jantje niet aarzelt voor de goal, Jantje ziet dat Marietje wél overspeelt. Ze kunnen van elkaar leren. Maar als je het scheidt worden die eigenschappen alleen maar versterkt. Dan wordt er bij meisjes de nadruk gelegd op het feit dat het allemaal plezierig en sociaal moet zijn, terwijl ze de jongens vertellen dat ze beste moeten worden. Zulke verwachtingen worden vooral door de buitenwereld opgelegd. Het is moeilijk om die manier van denken te veranderen, want je moet door barrières heen. Maar echt, ik ben er heilig van overtuigd. Wil je sterke kinderen die elkaar accepteren, dan moet je ze samen laten spelen.’

Een top op de piramide

Voor Vera Pauw was voetbal het doel en emancipatie een welkom bijeffect. Ze zag het als haar voornaamste missie om een topsportklimaat te creëren. Volgens haar lag de sleutel bij het clubvoetbal. In 2005 besloot ze een plan op te zetten voor de Eredivisie Vrouwen, in nauwe samenwerking met Priscilla Janssens, inmiddels werkzaam bij de UEFA, de FIFA en het bedrijf Topsport Community.

In 2007 ging de eredivisie van start met zes clubs. ‘Cruciaal daarbij,’ zegt Pauw, ‘was de belofte van de clubs dat het een gelijkwaardige competitie zou zijn.’ Het betekende dat er afspraken gemaakt werden over gelijkwaardige vergoedingen, en dat talentvolle speelsters aan het eind van het seizoen mogelijk anders verdeeld moesten worden over de clubs. ‘Er moest een top op de piramide komen,’ zegt Priscilla Janssens. ‘Ook om de aansluiting met het Nederlands Elftal te vergemakkelijken. Zorg dat je de beste speelsters met elkaar laat trainen en tegen elkaar laat voetballen. Daardoor word je beter.’

De profclubs vonden dat ‘best ingewikkeld’, zegt Janssens. ‘Het ging in tegen hoe ze normaal werken en denken. De grote namen zeiden: wij willen kampioen worden, dus willen we ook de beste speelsters. Een aantal clubs, Ajax bijvoorbeeld, wilde de kat uit de boom kijken. Maar wij vonden dat je op een totaal andere manier naar vrouwenvoetbal moest kijken. Niemand heeft er wat aan als het hele Nederlands Elftal bij één club speelt.’

Het werkte. Of in elk geval: de eerste paar jaar stréden de clubs allemaal om het kampioenschap. En twee jaar na de invoering van de Eredivisie bezorgde Pauw het nationale vrouwenelftal zijn eerste echte succes met het behalen van de halve finale tijdens het EK van 2009 in Finland. Een wedstrijd die door twee miljoen mensen werd bekeken op televisie en geldt als een doorbraakmoment voor het vrouwenvoetbal.

Na het toernooi ging het al snel mis tussen Pauw en de KNVB. Tot veler verbazing leverde ze haar contract bij de KNVB in, naar eigen zeggen omdat ze voelde dat haar kop op het hakblok lag. ‘Het was mijn eer te na om op mijn ontslag te wachten.’ Ze maakt er geen geheim van dat het haar nog altijd enorm dwars zit. ‘Het was mijn levenswerk. Plotseling werden er allemaal praatjes over me verspreid, dat er niet met mij te werken viel. En nog steeds. Het zit echt in de muren bij de bond.’

Henk Spaan: ‘De voetbalwereld wordt beheerst door extreem conservatisme.’

Zelf zegt ze nog altijd te gissen naar de ware oorzaak. Wellicht dat haar vooruitstrevende ideeën niet altijd even goed vielen. ‘De gemengde competitie was een punt van discussie. De marketingafdeling zei dat ze een meisjescompetitie beter konden vermarkten, en dat vond ik niet nodig. Maar goed, daar praat je dan over.’

Toen Pauw eind vorig jaar niet werd uitgenodigd voor de lotingsceremonie van het EK, evenmin als sterspeelster Daphne Koster trouwens, schreef sportjournaliste Marijn de Vries in Trouw een woedende column waarin ze het conflict veel scherper duidde. Volgens haar misgunden de mannen van KNVB Pauw het succes en wilden ze het voor zichzelf claimen. ‘Plotseling was het vrouwenvoetbal interessant, statusverhogend en goed voor het cv, en wilden de mannen die voorheen nooit thuisgaven erbij horen,’ aldus De Vries. ‘Nou ja,’ zegt Vera Pauw met een zucht, ‘zíj kan het zeggen.’

Eergevoel

‘De voetbalwereld wordt beheerst door extreem conservatisme,’ zegt Henk Spaan. ‘Dat is een van de redenen dat het bij ons slecht gaat, in vergelijking met veel omringende landen. En het heeft zijn weerslag op de aandacht voor het vrouwenvoetbal.’
Daarbij speelt eergevoel een grote rol, meent Martine Prange. ‘Voetbal heeft de meeste status. En het wordt door mannen als een bedreiging voor hun eer gezien als er vrouwen gaan meedoen.’

Merel van Dongen, verdediger van Ajax en Oranje, heeft het aan den lijve ondervonden. Toen ze op haar veertiende bij Buitenveldert niet meer in een jongensteam kon spelen, verkaste ze met haar tweelingzus Sanne en haar beste vriendin naar de club Pancratius, waar ze gedrieën de voorhoede vormden. ‘Dat was wel cool,’ zegt ze. ‘Maar zeker in het begin werd het naar mijn gevoel niet echt geaccepteerd.

De coach was er heel enthousiast over, maar voor sommige jongetjes was het toch heel moeilijk om op de bank te zitten als wij speelden. En voor de ouders ook. Want hun zoon hoorde daar te spelen.’

Het rare is, zegt ze, dat zulke dingen in het voetbal gevoeliger lijken te liggen dan in andere sporten. ‘Ik heb ook drie jaar in een jongensteam gebasketbald. Nou, echt: niks aan de hand. Niemand die zich aangetast voelde in zijn eer. Nee, het zit echt in de voetbalcultuur. Dat mannenbolwerk, dat traditionele idee van zweet en gras en bier en… mánnen. Daar komen wij nu als vrouwen tussendoor, en dat levert rare situaties op. We zijn het geld niet waard, wordt er gezegd. Nou, dat hoor je bij geen enkele andere sport.

Of we zijn allemaal veel te langzaam. Is er iemand die ooit zegt: die Daphne Schippers stelt toch maar weinig voor, want Usain Bolt is een stuk sneller?’

Kampioen geworden

Maar vandaag tellen al dat soort zaken even niet. Want Merel van Dongen is net kampioen geworden met Ajax. In haar stad, in het shirt van háár club. Drieduizend mensen op de tribune, een winnende goal in de laatste minuut. ‘Toen het fluitje ging, stond ik in het veld al bijna te huilen,’ zegt ze, uitkijkend over de trainingsvelden van Buitenveldert, waar ze straks de selectie van de meisjes onder 17 onder handen zal nemen. ‘Het is nu vier dagen later, en ik kan het nog steeds niet geloven.’

Van Dongen is een goed voorbeeld van de veranderingen die het vrouwenvoetbal heeft doorgemaakt. Ze was veertien toen de Eredivisie van start ging. ‘Ik heb nog net meegemaakt dat het ondenkbaar was dat je ooit iets zou verdienen met voetbal. Nu zit ik bij mijn droomclub, die me ook nog gewoon betaalt.’ Niet dat ze kan leven van het Ajax-salaris, maar wel van de sport. Met sponsorcontracten, clinics en trainingen zoals vanavond. Ze heeft een zaakwaarneemster die haar belangen behartigt. ‘Ik zit aan de bovenkant,’ zegt ze. ‘Maar bij clubs als PEC en Achilles ’29 verdienen de meiden echt geen rooie cent. Die moeten er allemaal naast werken.’

Het gaat haar niet om geld, benadrukt ze. ‘Sterker: ik vind dat al dat geld in de mannenwereld het voetbal verziekt. In vergelijking met andere sporten zijn de bedragen die erin omgaan echt compleet scheef. Voor mij en de meeste andere vrouwen gaat het er gewoon om dat we ons volledig kunnen ontwikkelen als voetballer. Dat je elke dag traint, dat er een fysiotherapeut is en medische begeleiding. Ik hoop heel erg dat een volgende generatie in een fatsoenlijke Eredivisie zal spelen, met voldoende sponsoren, aandacht en geld.’

Van Dongen is een kind van SC Buitenveldert. Ze speelde een tijdje bij ADO en een jaar voor een Amerikaanse universiteit, waar ze het voetbal kon combineren met een studie psychologie. In 2015 tekende ze voor Ajax. Toen Peter Weilenmann hoorde dat Van Dongen terugkwam uit de VS, belde hij meteen haar vader. ‘Ik zei: luister, als Merel besluit ergens te gaan trainen, dan kan dat natuurlijk maar bij één club. Ik vond het belangrijk dat ze kwam. Want die meiden hier hebben rolmodellen nodig.’
Die rol neemt Merel van Dongen heel serieus. ‘Als jeugdspeler was ik er nooit mee bezig dat ik deel ben van een generatie die het beter heeft, maar ik voel me steeds meer onderdeel van een groter proces.’

Net als de meeste internationals is ze zeer benaderbaar en praat ze graag over haar sport. Na trainingen en wedstrijden nemen de vrouwenprofs altijd uitgebreid de tijd om handtekeningen te zetten en op de foto te gaan met hun veelal jonge fans. ‘Ik vind het nog steeds verbazingwekkend dat ik fans héb,’ zegt ze lachend. ‘Meiden die vrij nemen van school om de naar training te komen kijken, die mijn naam uitkiezen om achterop hun shirt te zetten. Dat voelt zo bijzonder.’

Ze is monter, fit als een hoentje en klaar om haar meiden eens even goed af te matten. Maar terwijl die een voor een het trainingsveld oplopen, moet haar toch even één ding van het hart. ‘Zevenenzeventig! Ik heb ze geteld. Zeven-en-zeventig woorden schreef Het Parool zaterdag over onze kampioenswedstrijd. De eerste titel in de geschiedenis van de Ajax-vrouwen. Ik dacht nog: we speelden op vrijdagavond, misschien was het te laat en komt het grote stuk in de maandagkrant. Maar niks hoor.’

Wat er wél stond: ‘JOS zet met zeven goals eerste stap naar lijfsbehoud’, en ‘’t Knooppunt na roerige periode weer bij de les’. Van Dongen: ‘Dat is een hoofdklasser en een zaalvoetbalteam dat nota bene in april wegens wanordelijkheden door de KNVB uit de competitie was gehaald. Wij zijn professionals, trainen elke dag, leven voor onze sport. Ik accepteer heus dat er veel meer media-aandacht is voor de mannenprofs. Daar zitten vijftigduizend mensen op de tribune, wij hebben er op een goeie dag drieduizend, dus dat is logisch. Maar dit…’ Ze zucht. ‘Het is typerend. De media geven geen flikker om vrouwenvoetbal, en dat vind ik problematisch.’

Dat klopt, zegt Henk Spaan. ‘Je ziet het ook terug in het aantal vrouwen in de voetbaljournalistiek. Die zijn er eigenlijk niet, en dat is volkomen belachelijk. Ik kan me goed voorstellen dat er vrouwen zijn naar wie ik liever luister dan naar Pierre van Hooijdonk. Over het algemeen zijn ze hoger opgeleid dan de mannen, en komen ze beter uit hun woorden. In België zat international Imke Courtois vorig jaar tijdens het EK gewoon mee te babbelen met Jan Mulder. Deed ze ontzettend goed. Ze wees Mulder een keer terecht, waar heel België van smulde. Als je een beetje scout kan je die meiden ook in Nederland vinden. En het lijkt me ook een publieke taak. De NOS hoort toch een afspiegeling van de maatschappij te zijn.’

Blonde paardenstaartjes

Zeven jaar na het vertrek van Vera Pauw zijn de meningen verdeeld over de vraag hoe het Nederlandse vrouwenvoetbal ervoor staat. Als je kijkt naar de ledenaantallen, is er sprake van een doorslaand succes. ‘Dat gaat ook niet meer weg,’ zegt Barbara Barend. ‘Arm of rijk, wit of zwart, meiden willen voetballen. De vijver van talent zal steeds groter worden’.

De ‘gedoogcultuur’ is een ‘stimuleringscultuur’ geworden. ‘Dat heeft alles te maken met het feit dat meidenvoetbal de enige groeitak is voor de KNVB,’ zegt Martine Prange. ‘Bij de mannen zit er al een aantal jaar geen rek meer in. En de stimulering is wel aan voorwaarden verbonden. Vrouwenvoetbal wordt nadrukkelijk in de markt gezet als iets dat leuk en gezellig is. Terwijl topsport vaak helemaal niet zo leuk is, in elk geval niet voor degene die het beoefent. Toch zie je die houding terug in alle uitingen van de KNVB. Blonde paardenstaartjes, vriendinnendagen, “meiden, ga gezellig voetballen”.’
‘De KNVB is nou eenmaal een heel witte, heel mannelijke organisatie.’

Sowieso merkt Prange het dat vrouwenvoetbal steeds nadrukkelijker als ‘vrouwelijk’ wordt gepresenteerd. Frisse meiden, vol opgemaakt, in shirts die hun vormen benadrukken. (Waarvoor overigens een flinke strijd is geleverd, want tot voor kort waren er alleen mannenshirts op de markt). ‘Nederland is niet zo tolerant als het gaat om de lesbische identiteit in het vrouwenvoetbal,’ zegt ze. ‘Van oudsher was het een vrijplaats voor diversiteit en het ter discussie stellen van traditionele normen over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Nu worden die normen juist gereproduceerd. Dat vind ik opvallend.

Het betekent dat het vrouwenvoetbal misschien wat minder open is voor diversiteit dan voorheen. In elk geval hoor je nog vaak genoeg dat er ongegeneerd wordt gesproken van potten en manwijven. Alsof het iets slechts is om lesbisch te zijn.’

Ook volgens Daphne Koster, die dit seizoen na dertig jaar voetbal een punt achter haar carrière zette, kan er nog veel verbeterd worden. ‘Er zijn in mijn tijd hele grote stappen gemaakt, daar ben ik heel positief over. Maar het gaat altijd weer over die fantastische sfeer in het meidenvoetbal. Voor mij zou het meer moeten gaan om gelijke kansen. Maar ja, de KNVB is nou eenmaal een heel witte, heel mannelijke organisatie, waarin men elkaar continu dekt. En daarmee houden ze ontwikkelingen tegen.’

Het idee van een gemengde competitie is allang geen ‘speerpuntbeleid’ meer voor de KNVB. Pauw en Koster betreuren dat. Maar Peter Weilemann stuit naar eigen zeggen vaak op een weerbarstige praktijk. ‘Ik ben het ermee eens hoor: meiden ontwikkelen zich sneller als ze met jongens spelen. Maar wij worden constant benaderd door ouders van meiden die het wel gehad hebben. Tot een jaar of twaalf, dertien gaat het goed, maar daarna blijven alleen de allersterksten over. Meiden die echt gemotiveerd zijn. Hoe je het wendt of keert: een jongen is geen meisje, en een meisje is geen jongen. Ook al ben je goed genoeg, als je als enige meisje bij de jongens zit, gaan er andere dingen spelen.

Kleedkamerproblemen, doucheproblemen, gesprekken van jongens onderling. Daarom vinden wij het beter om een heel team van meiden in een jongenscompetitie mee te laten draaien.’

Een aparte vrouwenpoot

Gezelligheid staat op gespannen voet met topsport. Een groot probleem, vindt bijna iedereen, is het feit dat vrouwenvoetbal nog altijd valt onder de amateurtak van de KNVB. ‘Ik denk dat je alleen echte stappen kunt maken als er een aparte vrouwenpoot komt,’ zegt Priscilla Janssens. ‘Meisjes- en vrouwenvoetbal vraagt veel energie en levert relatief minder op. Voor mensen die sponsors werven of marketing doen, is het veel makkelijker scoren met het mannenvoetbal. Daarom hebben de vrouwen geen prioriteit, wordt het er altijd maar een beetje bijgedaan. Zo werkt het in alle lagen van de organisatie. Zolang dat niet verandert, zal het wel blijven groeien, maar je maakt zeker niet gebruik van het volledige potentieel.’

Velen zien daarin een teken dat vrouwenvoetbal nog altijd niet serieus genomen wordt in het mannenbastion. Zeker in vergelijking met andere landen. Scandinavië liep op de ontwikkelingen vooruit, Engeland en Duitsland zijn qua professionalisering aan een grote opmars bezig. In Amerika en Brazilië zijn de internationals echte sterren. Gevolg is dat steeds meer Nederlandse topspeelsters naar het buitenland gaan, omdat daar beter betaald wordt en ze er meer tegenstand krijgen. ‘En soms ook gewoon omdat ze het geweldig vinden om het shirt van een club als Arsenal te kunnen dragen,’ relativeert Barbara Barend. ‘Het is heus niet allemaal perfect geregeld bij buitenlandse clubs. Maar ik vind het wel een zorgelijke ontwikkeling. We moeten echt proberen om de aansprekende toppers in Nederland te houden.’

Maar de profcompetitie van de vrouwen lijkt nog altijd geen vaste vorm te hebben gevonden. De afgelopen jaren is de opzet twee keer veranderd. Eerst ontstond de Bene-League, waaraan zowel Belgische als Nederlandse clubs deelnamen. Toen dat experiment na twee seizoenen stopte, werd er gekozen voor een variant met acht Nederlandse clubs in een play-off-systeem.

‘De speelsters van nu kunnen terechtkomen bij Ajax, Twente of PSV.’

Het principe van gelijkwaardigheid werd na het vertrek van Vera Pauw meteen losgelaten. ‘Daarmee waren we weer terug bij af,’ zegt ze. ‘Vanaf dat moment ontstond er een gevecht om de spelers. Nu maken een paar clubs de dienst uit, Ajax en FC Twente vooral. En dus zie je weer uitslagen van 7– 0.’

Eigenlijk doen er gewoon te weinig profclubs mee om een volwaardige competitie te kunnen spelen. ‘Een club als Feyenoord heeft nog altijd geen vrouwentak,’ zegt Martine Prange. ‘Omdat ze niet bereid zijn een investering te doen die neerkomt op hetzelfde bedrag als wat ze nu betalen voor de verzekering van de rechtsback van de mannen.’
Barbara Barend: ‘Als je in De Galgenwaard komt, hangt er een ronkende slogan over de maatschappelijke functie van FC Utrecht. Maar vrouwenvoetbal? Ho maar. Los van de vraag waarom je niet in topsport zou willen investeren – want dat ís het – is het niet gewoon je maatschappelijke plicht om meisjes en vrouwen dezelfde kansen te bieden als de mannen?’

Strijders die vechten voor hun land

Journaliste Annemarie Postma (32) hoopt dat mensen ooit, wanneer je over voetbal begint, automatisch vragen: bedoel je de mannen of de vrouwen? ‘Zoals dat normaal is bij hockey, handbal of tennis. Maar eerlijk gezegd weet ik niet of dat ooit gaat gebeuren.’

Zelf hoopt Postma, volgens Henk Spaan ‘de best ingevoerde journalist van het Nederlands vrouwenvoetbal’, met haar boek en haar artikelen (o.a. voor Het Parool, Voetbal International en Hard Gras) een steentje bij te dragen. ‘Toen ik zelf begon met voetbal, kende ik vaag de naam van Daphne Koster, maar mijn idool was Marc Overmars. Als ik de speelsters van nu interview, zie ik een drive die ik nooit heb gehad. Waarschijnlijk hebben ze ook meer talent dan ik had. Maar het helpt natuurlijk enorm dat zij wél dat referentiekader hebben. Zij kunnen in theorie terechtkomen bij Ajax, Twente of PSV, of met het Nederlands elftal een EK of WK spelen. En dat motiveert ze ontzettend.’

Succesverhaal of niet, het is lastig voor te stellen dat Nederland bevangen zal worden door voetbalgekte wanneer de Oranje Leeuwinnen spelen. Maar wie weet. Er is een EK in aantocht in een verder toernooiloze zomer. Een sfeervolle ambiance en vooral een sportief succes zou de scepsis bij het grote publiek zomaar weg kunnen nemen. Merel van Dongen voelt hem wel, die druk. ‘Niet dat er levens van afhangen, hè,’ zegt ze lachend. ‘Maar het is een belangrijk moment, een moment waarop we kunnen laten zien dat we de aandacht waard zijn. We hoeven niet die cup te pakken, maar we moeten wel strijders zijn, die vechten voor hun land en het allerbeste uit zichzelf willen halen.’ <

Bron: Vrij Nederland


Ontdek meer van Women's Football Data Lab

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Reacties

Nog geen reacties. Waarom begin je de discussie niet?

Geef een reactie